Stel cookie voorkeur in

Nieuws uit de groep

Welkom op de pagina van groep 6!

 

Hieronder vindt u allerlei informatie over groep 6 zoals informatie over de boekbespreking, spreekbeurt, per thema de woorden van woordenschat en spelling en wat opdrachten rondom taal. 

 

BOEKBESPREKING INFORMATIE

Via onderstaande links kunt u de informatie downloaden die is meegegeven aan de leerlingen.

Informatie over de boekbespreking

Beoordeling boekbespreking

 

SPREEKBEURT INFORMATIE

 Via onderstaande links kunt u de informatie downloaden die is meegegeven aan de leerlingen.

Stappenplan spreekbeurt

Beoordeling spreekbeurt

 

Woordenschat oefenen thuis?

Thema 1

Thema 2

Thema 3

Thema 4

Thema 5

Thema 6

Thema 7

Thema 8

Spelling oefenen thuis?

Alle leerlingen hebben aan het begin van het schooljaar een eigen account op Bloon gekregen. Ga naar www.bloon.nl om te oefenen.

Hieronder staan de woorden per thema in een Worddocument.

Link woordjes thema 1

Link woordjes thema 2

Link woordjes thema 3

Link woordjes thema 4

Link woordjes thema 5

Link woordjes thema 6

Link woordjes thema 7

Link woordjes thema 8

 

Taal oefenen thuis?

In groep 6 starten we met het ontleden van zinnen. Zo leren de leerlingen, wat het onderwerp, de persoonsvorm, het zelfstandig naamwoord en de werkwoorden zijn. Ook leren ze hoe  je dit kan vinden in een zin.

Toch blijft dit lastig. Extra oefenen kan dan ook geen kwaad.

Tip om extra te oefenen: Verzin thuis zinnetjes en laat deze ontleden of ga op het internet zoeken naar extra opdrachten.

 

Hieronder een aantal tips om de juiste vormen in een zin te kunnen vinden.

 

De persoonsvorm = het belangrijke werkwoord uit de zin

                              tip: maak een vraagzin, het woordje vooraan is de persoonsvorm

 

Het onderwerp = wie/wat (doet het?)

                           tip: wie of wat + persoonsvorm = het onderwerp

 

Het zelfstandig naamwoord= een mens, een dier of een ding

                          tip: je kan er DE/HET/EEN voorzetten (of het staat er al voor).

 

Werkwoorden= doewoorden, dingen die je kunt doen.

 

Voorbeeldzin: De leerlingen maken de opdrachten in het schrift.

 

Persoonsvorm: Maken de leerlingen de opdrachten in het schrift? Persoonsvorm = maken

Onderwerp: Wie/wat maken? Onderwerp = de leerlingen

Zelfstandig naamwoord: leerlingen (staat de voor), opdrachten (staat de voor) en schrift (staat het voor)

Werkwoorden: maken (in dit geval maar één werkwoord wat meteen ook de persoonsvorm is)